De geschiedenis van de wandtapijten van het Nijmeegse Stadhuis 2

De Nijmeegse wandtapijten in de 20e eeuw
   De Groenwerktapijten of Verdures
   De Antwerpse tapijten:
      De Metamorfosentapijten
      De Aeneastapijten
      De verwerving van de Antwerpse tapijten
. De Nijmeegse wandtapijten en de Vrede van Nijmegen
De Nijmeegse wandtapijten in de 21e eeuw

Ruim twee decennia geleden beschreef Herman de Heiden in twee artikelen de geschiedenis van de Nijmeegse gobelins in het stadhuis, waarvan een deel, de Metamorfosentapijten, sinds de recente (2004) verbouwing van de raadszaal uit het stadhuis verdwenen zijn. Voor wie het aangaat en interesseert volgt hier zijn artikel over de tapijten in de twintigste eeuw. De geschiedenis van de tapijten vóór die tijd vindt u hier. En hoe het de tapijten in de eenentwintigste eeuw vergaat, leest u hier.

De wandtapijten van het Nijmeegse Stadhuis en hun lotgevallen in de laatste honderd jaar

H.G.M. de Heiden

Het Stadhuis van NijmegenHet Stadhuis van Nijmegen, foto Nol RoozeboomUit: Het Stadhuis van Nijmegen. Catalogi van het kunstbezit van de Gemeente Nijmegen nr.4. Uitgegeven door het Nijmeegs Museum 'Commanderie van Sint-Jan' met medewerking van het Nijmeegs Gemeentearchief en het Instituut voor Middeleeuwse geschiedenis van de Katholieke Universiteit te Nijmegen. Nijmegen, 1982, p. 130-138

Het stadhuis van Nijmegen bezit een aantal kostbare wandtapijten uit de zeventiende eeuw. Zij dragen voor een niet gering deel bij tot de bekendheid van dit historische gebouw. Van die roem is niet altijd sprake geweest, want er was een tijd (en de eerste decennia van deze eeuw behoren daartoe), dat de tapijten volslagen onbekend waren. Deze obscuriteit werd versterkt door het feit dat er toen weinig of geen historische gegevens over bekend waren. Heel langzaam werd steeds meer achterhaald over hun herkomst en hand in hand daarmee steeg ook hun bekendheid.
De collectie wordt onderverdeeld in drie series: te weten:
- de Groenwerktapijten of Verdures (13 stuks),
- de Metamorfosentapijten (7 stuks),
- de Aeneastapijten (6 stuks).

De eerstgenoemde serie kreeg na de herbouw van het stadhuis na de tweede wereldoorlog een plaats in de diverse ruimten van het voorhuis (het aan de Burchtstraat grenzende gedeelte) en met name in de Trêveszaal en in de Trouwzaal. De tweede serie werd verdeeld over de kamer, waarin de Afdeling Voorlichting gehuisvest was en over de daarnaast gelegen Commissiekamer. De laatst vermelde serie werd opgehangen in de beide zogenaamde Gouden Kamers (1), welke nauwkeurig gebouwd waren op de plaats van twee zalen, die voor de oorlog dienst gedaan hadden als vergaderruimte van Burgemeester en Wethouders en als Trouwzaal. De eerst-genoemde zaal had van oudsher onderdak geboden aan de Metamorfosentapijten, terwijl trouwlustige paartjes zich bij het grote moment omgeven wisten door de reusachtige gestalten op de Aeneastapijten
Op deze drie series zal zich onze aandacht richten in dit relaas.

De Groenwerktapijten of Verdures

Nijmeegse verdures: het konijn (144 x 253 cm) (klikken voor groter beeld)De situatie van de zalen, waarin zich wandtapijten bevonden was in 1938 min of meer identiek aan die van 1903, toen H.D.J. van Schevichaven een boekje publiceerde dat getiteld was: Het stadhuis van Nijmegen. Hoewel het voor de moderne lezer, die de ruimtelijke indeling van het oude stadhuis niet gekend heeft, soms tamelijk ondoorzichtig is, wordt het nog altijd druk geraadpleegd. Van Schevichaven zegt daarin, dat de tapijten van de beide achterzalen oorspronkelijk afkomstig waren van de 'bovenverdieping vanwaar ze verwijderd werden, toen men aldaar de rechtbank inrichtte '(2). De archivaris was goed bekend met het besluit dat op 28 december 1664 genomen was door de Raad om beide burgemeesters naar Holland te sturen om daar 'een behangsel van tapyten voor de raadtcamer' aan te kopen. Ook wist hij, dat er toen zuinigjes aan toe was gevoegd, dat die tapijten niet meer dan vier of vijf gulden de el mochten kosten (3). Deze aankoop is overigens een gevolg geweest van een inwendige modernisering en aanpassing van het stadhuis in de jaren 1657-1659, bij welke gelegenheid de raad (weer?) was ondergebracht in die zaal op de eerste verdieping van het voorhuis, welke thans wordt aangeduid als Trêveszaal (4).
Van Schevichaven nu was kennelijk van oordeel, dat de tapijten, welke als gevolg van het genoemde raadsbesluit van 1664 waren aangeschaft, dezelfde waren als die in de achterzalen, waarvan hij aannam, dat zij er in 1838 (het jaar van verbouwing ten behoeve van de rechtbank) terechtgekomen waren. Gemakshalve - of was het omdat hij er geen raad mee wist? - waren daarbij een aantal behangsels over het hoofd gezien, waarmee de muren waren bespannen van een tamelijk kleine kamer, welke voor de laatste oorlog bekend stond als 'Leeskamer", maar die door Van Schevichaven werd aangeduid als 'het vertrek naast de landschapskamer' (5). Dit vertrek, gelegen op de eerste verdieping op de hoek van de Korte Burchtstraat en de Lange Nieuwstraat, was een van de drie vertrekken, die in 1838 ontstaan waren door de plaatsing van schotten en muurtjes in de oude Raadkamer (6). Van het daar aanwezige behang weet Van Schevichaven het volgende te melden: 'Het gobelinbehang met voorstellingen van jachten werd hier weinige jaren geleden gehangen'. 'Welke kamers het oorspronkelijk versierde is niet bekend; het werd voor jaren gevonden in een kist, die op de Plunderzolder vergeten stond...' (7). Dat 'voorstellingen van Jachten' is een onjuiste interpretatie van het afgebeelde. Uit een foto van de bewuste kamer valt op te maken, dat de daar toen aanwezige behangsels voortbestaan in de huidige Groenwerktapijten.
In het 'bestek en voorwaarden' (8) van de verbouwing van 1838 was bepaald, dat de behangsels van de bovenzaal aan de voorzijde met zorg moesten worden bewaard. Hoe dit bewaren in de praktijk heeft plaatsgevonden begrijpen wij nu. De behangsels waren in een kist op zolder gestopt en vervolgens geheel aan de vergetelheid prijsgegeven. 1882 was het jaar, waarin zij werden teruggevonden. Dit bleek onder meer uit een verzoek van de Commissie ter Verzekering eener Goede Bewaring van Gedenkstukken van Geschiedenis en Kunst aan het College van Burge- meester en Wethouders om 'weder de oude gobelins aan te brengen' (9). Dat woordje 'weder' intrigeert ons. Zouden de achtenswaardige leden van de Commissie in 1882 toch nog geweten hebben, dat de tapijten er oorspronkelijk thuis hoorden?
Hoe het ook zij, Van Schevichaven heeft er negentien jaar later geen kennis meer van gehad. Het 'bestek en voorwaarden' ongetwijfeld kennende, legde hij tenminste een verband tussen deze bepaling en de tapijten van de achterzalen. Van de maker had de goede archivaris geen flauw idee maar hij waagde de suggestie, dat de behangsels gekocht waren in Den Haag (10). En daarbij bleef het dan. Met het raden van de plaats van aankoop zat Van Schevichaven waarschijnlijk zeer dicht bij de waarheid, omdat de Delftse onderneming, die de tapijten vervaardigde, toonkamers had in Den Haag (11).

De eerste, die een tip van de sluier wist op te lichten was M.P.M. Daniëls, als opvolger van Van Schevichaven archivaris der gemeente Nijmegen van 1919 tot 1942. Hij ontdekte 'uit tot nog toe onbekende documenten', dat de tapijten, 'althans ten deele' waren geleverd door de 'bekende Hollandsche gobelinweverij van Van der Gucht te Delft' (12). Dat 'althans ten deele' lijkt er voorzichtigheidshalve aan toegevoegd. Daniëls begreep blijkbaar wel, dat niet het gehele tapijtenbezit herleid kon worden tot de beroemde Delftse weverij. Of hij deze overtuiging baseerde op duidelijke verschillen in stijl en afbeeldingen of op de overweging, dat voor het uiteindelijk betaalde bedrag (f. 2164,-) (13) werkelijk niet zoveel vierkante ellen geleverd konden zijn, viel uit de stukken niet op te maken.

Bij mijn weten is de kunsthistorica Mej. Dr. G.T. van Ysselsteyn (1892-1975) de eerste geweest, die heeft aangewezen welke tapijten in Nijmegen nu exact als Delfts moeten worden aangemerkt, namelijk die welke op de muren zaten van de Leeskamer. In haar studie over de tapijtweverijen in de Noordelijke Nederlanden noemt zij de behangsels van het Bartholomeus- gasthuis te Utrecht en die van het Nijmeegse, het Leidse en het Bossche stadhuis in een adem (14). De Utrechtse en Bossche verdures bestaan nog altijd in hun oude glorie (min of meer), terwijl die van Leiden bij de beruchte stadhuisbrand van 1929 helaas verloren zijn gegaan. De schrijfster had ook rustig de tapijten kunnen noemen, waarmee de muren van een zaal in kasteel Zuylen nabij Utrecht zijn behangen (15). Dat zij dit niet doet zal wel samenhangen met het feit, dat het kasteel toen nog particulier bewoond werd en de inventaris nog geen bekendheid genoot. Van de Nijmeegse groenwerken zegt zij, dat deze naar een kleine kamer zijn overgebracht en versneden zijn. Deze constatering sluit goed aan bij wat Van Schevichaven er al over had weten te vertellen, namelijk: dat zij uit een vergeten kist op zolder waren opgediept. Het feit, dat men in 1882 moeite deed om een aantal vergeten behangsels weer op de muur aan te brengen geeft onmiskenbaar aan, dat er ook toen een grote waardering bestond voor relicten uit een ver verleden als geweven behangsels. Deze waardering uitte zich ook in een restauratiepoging, ondernomen omstreeks het jaar 1901 (16).
Dit herstel werd opgedragen aan C.H. van Wouw, behanger in de 3de Walstraat. Zonder iets te willen afdingen op het vakmanschap van deze behanger moet toch ernstig getwijfeld worden aan zijn kennis van antieke weefsels, gelet op de later geconstateerde verwoestingen. De man doet er, zeker voor die tijd, heel lang over, in 1901 alleen al 410 uren (17).
Wat ook de resultaten geweest zijn, aan de goede bedoelingen van de behoeders van de stedelijke kunstschatten mag geen moment getwijfeld worden. De kennis met betrekking tot behoud van antieke weefsels stond in die dagen nu eenmaal nog helemaal in de kinderschoenen. Over pogingen als deze tot behoud van de oude behangsels spreidt zich een waas van een sympathiek soort dilettantisme. Het verval ging echter rustig, maar op een niet te stuiten wijze verder. Een zekere onrust spreekt er uit de verslagen van de Commissie gedenkstukken over de jaren 1917, 1918 en 1921. Een nieuwe restauratie (of wat er weer voor doorging) komt bij de bespreking van de lotgevallen van de Metamorfosentapijten aan de orde.
Met het oog op oorlogsgevaar werden in 1939 de tapijten van de muren genomen om te worden opgeborgen. Dit geschiedde onder supervisie van de reeds meermalen genoemde Mej.Dr. G.T. van Ysselsteyn. De verwijdering had een merkwaardige voorgeschiedenis. Al enige jaren hingen er plannen in de lucht om tot een nieuwe en algehele restauratie over te gaan. Kennelijk in verband daarmee had een lerares bij het Nijverheidsonderwijs te Nijmegen aangeboden de tapijten gratis te stoppen en te herstellen. Zij had zich, zo schreef zij, 'toegelegd op het stoppen van oude weefsels' en daarin ook praktische ervaring opgedaan. Als contraprestatie verlangde zij dan wel van het gemeentebestuur een getuigschrift, waarmee zij van plan was door te dringen in de kringen van Rijksmuseum en Monumentenzorg (18).
Hoewel dit aanbod iets heel verleidelijks in zich had, voelde het stadsbestuur er, na influistering door archivaris Daniëls, toch niet zo heel veel voor. Men wenste het kostbare tapijtenbezit alleen toe te vertrouwen aan mensen, over wie bijvoorbeeld Monumentenzorg vooraf een goed getuigschrift kon geven. Desgevraagd kwam de Rijkscommissie voor de Monumentenzorg snel met een advies. Zij achtte het juist dat, alvorens tot herstel over te gaan, een deskundige eerst eens ter plaatse kwam kijken. Voorgesteld werd om dit Mej. Van Ysselsteyn te laten doen, van wie men wist, dat zij bereid was gratis advies te geven. Achteraf gezien was dit een voorstel met verstrekkende gevolgen, want deze vrouw zou bij het herstel in de komende jaren een zeer markante rol gaan spelen. Zij kwam naar Nijmegen en legde spoedig daarna haar bevindingen vast in een rapport, dat er niet om loog. Daarin wordt melding gemaakt van twee series tapijten (die van de achterzalen) en een Tapitebespanning (het behangsel van de Leeskamer) (19). Het loont de moeite om weer te geven, wat mej. Van Ysselsteyn over het laatst genoemde behangsel vermeld heeft. 'Zij bevindt zich in een erbarmelijke staat. De tapisserie is of aangebracht in een kamer, waar ze oorspronkelijk niet voor is vervaardigd, of die kamer is zoodanig verkleind, dat men groote stukken heeft overgehouden, een vraagstuk dat Uw archivaris nog nader wilde bestuderen. Ze is versneden tot kamerschutten, schermpjes, vensterstukken etc. Zelfs heeft men er de 'Aeneas en Dido' mee aangevuld. Bij de restauratie zullen alle naden moeten worden losgemaakt en de tapisserie als een legkaart in elkaar moeten worden gepast.'
De archivaris moest uitsluitsel geven over het lot van allerlei restanten, maar bleef talmen, ondanks aandrang van de zijde van het stadsbestuur. Nog op 24 maart 1939 schreef burgemeester Steinweg, dat de heer Daniëls in verband met de plannen om de Vredeszaal in haar oorspronkelijke toestand terug te brengen, het College nauwkeurig moest inlichten 'over de verblijfplaats van de tapisserieën van de voormalige vredeszaal (20). Talmde Daniëls omdat hij de restanten alsmaar niet vinden kon? Erg duidelijk is dit niet, want een schriftelijk rapport schijnt bij het College nooit te zijn gearriveerd. Dit is jammer, want het zou interessant zijn om te weten, wat hij uiteindelijk heeft gerapporteerd. Vermoedelijk is volstaan met een mondeling verslag. Een aantal stukken van tapijten schijnt weer eens aangetroffen te zijn in een kist op zolder (dezelfde van 1882?) (21). Wat er in 1939 in de Leeskamer van de muren kwam was tot op de draad versleten en vormde blijkbaar tezamen met een aantal lappen uit de lappendoos eigenlijk niet meer dan een rafelige hoop todden. Toen bleek ook voor het eerst wat de 'restaurateur' in 1882 had uitgespookt. Hij had de beste stukken uitgezocht, daar de versleten stukken uitgeknipt en deze vervolgens opgevuld met stukken uit andere exemplaren. Rondom de vensters waren allerlei brokstukken samengebracht, welke waren 'opgevrolijkt' met allerlei uitgeknipte vogels en bomen. Op deze wijze heeft onze behanger kennelijk willen camoufleren, dat de stukken niet aaneensloten (22). Niet onvermakelijk is de gespecificeerde rekening die van deze gang van zaken bewaard is gebleven. Onder meer wordt daarin f 0,50 opgevoerd voor 'l pond peperbollen voor het inpakken der restand coublijn'. De resten (stukken waar geen eer meer aan te behalen viel) verdwenen weer in de kist op zolder. De peperbolletjes dienden om insectenvraat tegen te gaan. De nota staat op naam van D.L. Pieters, behanger en stoffeerder, Ganzenheuvel 6. Het totale bedrag dat de gemeente betalen moest was f 408,-, een niet geringe hoeveelheid geld voor die dagen! (23).

Nijmeegse verdures: De zwanen (405 x 430 cm) (klikken voor groter beeld)De Verdures werden tezamen met de tapijten van de andere series gereinigd in Den Haag bij de Firma Anton den Engelsen (er kwam toen circa tien kilo vuil vrij) en daarna op de vloer van de Rolzaal op het Binnenhofcomplex uiteengelegd (24). Herkenbaar bleken er toen drie grote doeken, twee wapenpanelen en nog drie smalle panelen. Verder werd er geconstateerd, dat er twee of wellicht wel drie tapijten onherstelbaar verminkt waren (25). Dit gevoel dat de Verdures onherstelbaar waren, werd nog versterkt door het feit, dat zij 'stoven'. Men dacht dan ook werkelijk, dat zij aan het einde van hun bestaan waren gekomen en aanvankelijk waren zij dan ook helemaal opgegeven (26). Toen enige jaren na de oorlog echter bleek, dat het stof niet bestond uit vergane woldeeltjes maar uit vuil, viel het toch weer mee en kon men toch tot restauratie (lees: reconstructie) overgaan (27).
Ondertussen, en wel in 1940, was er te Haarlem een werkplaats tot herstel van antiek textiel in het leven geroepen ten behoeve van de restauratie onder leiding van mevrouw Van Ysselsteyn, van het beroemde, maar schromelijk verwaarloosde wandtapijt 'De inneming van Damiate' uit het kunstbezit van de Gemeente Haarlem. Al heel spoedig zou de gemeente Nijmegen, vanwege de opdracht tot restauratie van haar gehele tapijtenbezit, in deze werkplaats participeren. De situatie was op een gegeven moment zelfs zo, dat het atelier in de telefoongids van Haarlem vermeld stond onder 'Gemeente Nijmegen' (28). Twee tapijten uit de Metamorfosenserie gingen in restauratie. De overige exemplaren werden na enige tijd opgeborgen in een kluis in de Sint-Pietersberg bij Maastricht. Daar werden zij zo goed en zo kwaad als het ging regelmatig door Mej. Van Ysselsteyn geïnspecteerd en gelucht (29). Dit geschiedde telkens weer onder de hinderlijke belangstelling van de Duitse bezetters. In 1944 en in de eerste maanden van 1945 moet het contact tussen Nijmegen en de werkplaats geheel verbroken zijn geweest. Zo schaars was in 1945 aanvankelijk de informatie, dat de gemeente Nijmegen in juni van dat jaar, blijkens een briefje van Mej. Van Ysselsteyn, niet eens wist waar de tapijten nu eigenlijk wel uithingen. De twee in restauratie zijnde exemplaren bleken in een kluis in een bank in Haarlem te liggen, terwijl de rest, zoals gezegd, veilig in de Sint-Pietersberg lag (30).
Na de oorlog ging de restauratie van de Verdures van start. Het uiteindelijk behoud van de behangsels is vooral te danken aan het feit, dat Mej. Van Ysselsteyn onvoorwaardelijk geloofde in de betekenis ervan. Naar het oordeel van deskundigen thans zijn de groenwerken van Van der Gucht kunsthistorisch gezien geen hoogtepunten. Men kan stellen dat zij vooral van belang zijn voor de geschiedenis van het Nederlandse interieur. Inderdaad is, dank zij de zeer ingrijpende restauratie/reconstructie, min of meer voorstelbaar gebleven hoe de Raadskamer er in de zeventiende eeuw heeft uitgezien. De huidige ophanging van de behangsels, waarbij de bovenstukken, vanwege de aanwezigheid van de zware moerbalken van het plafond, naar binnen zijn omgeslagen, is weinig bevredigend. Het blijft een verleidelijke gedachte om alle stukken als vanouds weer te spannen op ramen en er zo de muren in hun geheel mede te bedekken. De illusie dat de oude Raadskamer goed geconserveerd en ongeschonden tot ons gekomen is zou dan werkelijk volkomen zijn.

De enige vraag, welke ons met betrekking tot de Verdures nog rest, is, of de huidige collectie, welke toch het resultaat is van de reconstructie van na 1945, min of meer overeenkomt met de hoeveelheid behang, welke in 1665 werd geleverd. Voor een aantal tapijten zal de reconstructie wel historisch betrouwbaar zijn, maar voor andere, die werden samengesteld uit allerlei noodzakelijkerwijze aaneengeweven fragmenten moet men wel aannemen, dat ze er in 1665 anders uit gezien hebben. Bovendien: wat kan er in de lange periode van verslonzing al niet verloren zijn gegaan? Zo blijken er op een gegeven moment (omstreeks 1882?) stukken gebruikt te zijn om er stoelen mee te bekleden (31).
Hoewel de vraag eigenlijk niet te beantwoorden valt, leiden de onderstaande overwegingen wellicht toch tot de conclusie, dat er meer geweest kan zijn. De tegenwoordige breedten naast elkaar leggend zou men inpassing in de Trêveszaal (waarop de maten nauwkeurig overeenstemmen met die van de oude Raadskamer) de nodige meters overhouden. Wij weten precies, wat de stad in 1665 heeft betaald, namelijk f 2.164,-. Ook is bekend, dat het stadsbestuur er niet meer dan vier of vijf gulden de el (= vierkante el (32)) voor heeft willen betalen. Gaan wij er van uit, dat Van der Gucht vijf gulden bedongen heeft, dan komt men tot een oppervlakte van circa 432 vierkante el. De totale oppervlakte van de huidige Verdures is, omgerekend in vierkante ellen, circa 254. Als nu de collectie in haar huidige omvang al niet goed is in te passen in de oorspronkelijke ruimte, hoeveel te meer de oorspronkelijke hoeveelheid dan niet?
Overigens blijft het de vraag of Bartholomeus van der Gucht wel accoord is gegaan met het bod van vier of vijf gulden de el. Over het algemeen schijnen prijzen, schommelend tussen zeven en twaalf gulden normaal geweest te zijn. Zo betaalde de stad Leiden elf gulden de el voor behangsels in de Vroedschapskamer van het stadhuis, terwijl er voor tapijten, geleverd aan het Zweedse hof, negen gulden in rekening werd gebracht. Voor de tapijten van het Bartholomeusgasthuis te Utrecht legde men tien gulden de el neer.
Het blijft moeilijk om hieruit conclusies voor Nijmegen te trekken, te meer daar het leveringscontract niet bewaard is gebleven. Te gebruiken materialen, zoals wol, zijde en gouddraad, speelden bij de prijsbepaling mede een rol (33). In de Nijmeegse Verdures is wel zijde verwerkt, maar is wol toch wel het overheersende materiaal.
Hebben er misschien ook in andere kamers van het stadhuis groenwerken gezeten? Bekend is, dat op 17 mei 1679, na afloop van het vredescongres dat leidde tot de 'Vrede van Nijmegen', tapijten uit de Gedeputeerdenkamer werden overgebracht naar de Zutphense kamer (34). Ging het hierbij om tapijten, die, om welke reden dan ook, er tijdelijk werden opgehangen of om behangsels, die na het vertrek van de laatste congresgangers weer op hun oude plaats werden teruggehangen? En: waren deze behangsels groenwerken? Allemaal vragen, waarop iedereen graag een antwoord zou willen vinden. Bij gebrek aan voldoende gegevens zouden wij ons bij een poging daartoe op dit moment te veel op het gladde ijs van de speculatie begeven. 0m uitglijden te voorkomen is het goed om de vragen voorlopig de vragen te laten. Dat er nog meer tapijten (verdures?) in het verleden geweest zijn, is in ieder geval niet uitgesloten te achten.

De tapijten uit Antwerpen
De Metamorfosentapijten
(klik op afbeelding voor een wat groter beeld)


Apollo en Daphne
(408 x 309 cm)
Nijmeegse Metamorfosentapijten, Apollo en Daphne

Arcas en de berin
(420 x 320 cm)
Nijmeegse Metamorfosentapijten, Arcas en de berin

Cephalus en Procris
(410 x 290 cm)
Nijmeegse Metamorfosentapijten, Cephalus en Procris

Meleager en het Calydonische zwijn
(410 x 422 cm)
Nijmeegse Metamorfosentapijten, Meleager en het Calydonische zwijn

De geschiedenis van Narcissus
(406 x 466 cm)
Nijmeegse Metamorfosentapijten, De geschiedenis van Narcissus

Mercurius, Herse en Aglaurus
(400 x 409 cm)
Nijmeegse Metamorfosentapijten, Mercurius, Herse en Aglaurus

De ontvoering van Europa
(412 x 347 cm)
Nijmeegse Metamorfosentapijten, de ontvoering van Europa

Foto's: Stichting Werkplaats tot Herstel van Antieke Textiel, Haarlem


'Kostelijk 17de eeuwse Fransche gobelins bedekken de wanden' vermeldt een beschrijving van het stadhuis in 1923 over de Kamer van de Burgemeester en Wethouders (35). Ook de tapijten in deze ruimte zijn bij de restauratie van 1901 geteisterd. In 1917, 1918 en 1919 blijkt telkens weer de wens te bestaan om te restaureren. Dit is een aanwijzing, dat men van de opknapbeurt van 1901 geen hoge dunk moest hebben (36). Eerst in 1923 kwam men er toe om wat te doen met de tapijten in de Kamer van Burgemeester en Wethouders. Dit gebeurde in het kader van een opknapbeurt ter voorbereiding van het zilveren ambtsjubileum van burgemeester F.M.A. van Schaeck Mathon. Een restauratie werd opgedragen aan Mevrouw Laman Trip-Nolen, directrice van de Nederlandsche Kunstweefschool te 's- Gravenhage. Met grote omzichtigheid ging men te werk. Alvorens de tapijten van de muren los te maken, werd de oude toestand eerst zorgvuldig in tekening gebracht. Zij werden vervoerd naar Den Haag, gerold op houten cylinders, die speciaal voor dit doel vervaardigd waren (37). Overduidelijk blijkt hieruit wel, hoeveel men ook in die tijd gaf om de tapijten. Eerst in 1925 keerden zij terug. Dat dit was geruime tijd na het feest van de burgemeester heeft men kennelijk voor lief moeten nemen. Mevrouw Laman schreef toen aan de archivaris, dat het werk zo was tegengevallen, dat zij niet minder dan f 1.200,- kon berekenen, daar zij er anders zelf op toe zou moeten leggen (38). De stukken werden in een andere groepering dan voorheen weer bevestigd. Men gebruikte hiervoor nieuw geconstrueerde scharnierende houten ramen, zodat de tapijten in tijd van nood, gemakkelijker afgenomen konden worden. Enige ontbrekende randen werden aangevuld met op linnen geschilderde nabootsingen. Voor een enkele strook werd geen plaats meer gevonden en men sprak de wens uit, dat deze op passende wijze zou worden bewaard (39). Wat men bedoelde met 'op passende wijze' weten wij zo zoetjes aan wel: de kist op zolder was er weer goed voor. Uit alles spreekt een zekere voldoening over de wijze waarop een en ander zijn beslag had gekregen. Hoe onvolkomen de kennis van conserveren en restaureren van antiek textiel toen nog was, zou een aantal jaren later op navrante wijze aan het daglicht treden. Voorlopig was iedereen heel content, en gezien in het licht van die tijd, mocht men dat ook best zijn. In haar eerder genoemde rapport van 1937 zegt Mej. Van Ysselsteyn, dat de tapijten in de kamer van Burgemeester en Wethouders ('de landschappen met kleine figuren') waarschijnlijk de geschiedenis van Celadon en Astrée uitbeelden naar de in de 17e eeuw zeer populaire herdersroman 'Astrée' van Honoré d'Urfée. Zij sloot hierbij aan bij wat zij er in 1936 reeds over had geschreven (40). Overigens meende zij toen nog, dat de tapijten van Hollandse origine waren (41) en zij dacht daarbij in de richting van Pieter de Cracht, een gerenommeerd tapijthandelaar in Amsterdam, die voortdurend werk aangeleverd kreeg uit de provincie. Toen de tapijten met het oog op oorlogsgevaar op last van de Rijkscommissie voor de Monumentenzorg verwijderd werden en waren aangevuld met de stukken uit de stedelijke lappendoos, bleken zij geïdentificeerd te moeten worden als tapijten met voorstellingen ontleend aan de Metamorfosen van Publius Ovidius Naso, welke in de 17e eeuw, in allerlei uitvoeringen en prijzen, maar steeds naar dezelfde patronen voor de markt te Antwerpen werden vervaardigd (42). In diverse onderzoeken kon aangetoond worden dat er door de Firma Wouters in Antwerpen grote hoeveelheden tapijten, waarvan het merendeel met voorstellingen uit de Metamorfosen, werden geleverd aan Engeland (43). Kennelijk waren deze voorstellingen er zeer gewild bij hen die het vette der aarde in ruime mate genieten konden. Er zijn zelfs drie tapijten gevonden, die de initialen MW dragen. De Nijmeegse exemplaren komen overeen met de in Engeland geïdentificeerde. De drie gemerkte tapijten bevinden zich te Boughton en verder schijnen er exemplaren aanwezig te zijn te Barnard Castle in het Bowesmuseum, te Kidderminster in het Stone House en te Uttoxeter in het Manorhouse (44). Hiermede was het atelier van herkomst, namelijk dat van Michiel Wouters te Antwerpen, geïdentificeerd. Uit de stukken duiken een zekere Janssens (voor de figuren) en eene Spirinx (voor de landschappen) op als kartonontwerpers (45). Bij de afname in 1939 leek de toestand mee te vallen. Het stopwerk van 1923-1925 verleende het geheel kennelijk het nodige houvast (46). De ergernis groeide eigenlijk pas na de aanvang van de restauratie, toen geleidelijk aan duidelijk werd welke verwoestingen het genoemde stopwerk had aangericht. De ketting bleek over grote oppervlakten totaal verwoest. 'Is een stop' zo moppert Mej. Van Ysselsteyn tegenover het College van B enW 'er met veel geduld en alle mogelijke zorg uitgepeuterd,dan houdt men een gat over of een ketting, die zo zwak en uitgerekt is, dat er toch vervangen moet worden (47). Met de terugkeer van de 'Narcissus' in 1958 werd de zeer omvangrijke restauratie van de Metamorfosenserie afgesloten (48).

De Aeneastapijten (klik op afbeelding voor een wat groter beeld)


Aeneas ontmoet zijn moeder Venus
(410 x 278 cm)
Nijmeegse Aeneastapijten. Aeneas ontmoet zijn moeder Venus

De bouw van Carthago
(406 x 550 cm)
Nijmeegse Aeneastapijten. De bouw van Carthago

Het offer van Dido aan Juno
(415 x 488 cm)
Nijmeegse Aeneastapijten. Het offer van Dido aan Juno

Aeneas en Dido vluchten voor het onweer
(410 x 420 cm)
Nijmeegse Aeneastapijten. Aeneas en Dido vluchten voor het onweer

Mercurius herinnert Aeneas aan zijn verplichting naar Italië te reizen
(404 x 358 cm)
Nijmeegse Aeneastapijten. Mercurius en Aeneas

Afscheid van Dido en Aeneas
(420 x 400 cm)
Nijmeegse Aeneastapijten. Afscheid van Dido en Aeneas

Foto's: Stichting Werkplaats tot Herstel van Antieke Textiel, Haarlem


De beschrijver, die zich in 1923 vermeide in al de schoonheden, die het stadhuis te bieden had, stond ook even stil bij de tapijten van de Trouwzaal en hij deed dit met de volgende woorden: 'Een Fransch gobelin, in 1664 door I.F. Romanellos ontworpen bedekt ook hier de wanden. Dido en Aeneas in de eeuw van het Klassicisme op iedere mogelijke wijze verheerlijkt, spreiden hier hun Cartaagschen Liefdesluister ten toon (49). Het genoemde jaartal is terug te voeren tot het misverstand, ontstaan bij Van Schevichaven. De naam van de ontwerper, maar dan gespeld als 'Romanellus' komt voor in de linkerhoek van het tapijt 'Het offer van Dido aan Juno'. Veel verder ging de kennis omtrent deze merkwaardige serie beslist nog niet. Ook de Aeneastapijten ontgingen in de jaren dertig niet aan het speurend oog van Mej. Van Ysselsteyn. In haar boek noemt zij ze met enige tapijten, welke voorkomen in de koninklijke collecties te Stockholm en met een uiterst kostbare in zijde uitgevoerde serie van acht stuks in Wenen. Van deze laatste was bekend, dat ze gemaakt en gesigneerd waren door Wouters (50). Over de Nijmeegse exemplaren schrijft zij als volgt: 'De Nijmeegsche serie doet ons min of meer schrikken. De groote Figuren zijn zo goed als uitsluitend in bruin uitgevoerd met wat wit als achtergrond en schaduwwerking: de kleuren vertonen partijen donkerblauw, helblauw en soms rood, groen is niet gebruikt. Het resultaat is spookachtig (.....) Wij zijn hier in kwaliteit wel heel ver van Wouters' producten verwijderd. Het is mogelijk, dat slechts goedkope exemplaren - bijna zonder zijde - ook uit zijn atelier zijn gekomen; het is echter ook mogelijk, dat Noord-Nederlandsche ateliers ze hebben geleverd.' Omdat zij weet had van de in kostbare zijde en in prachtige kleurschakeringen uitgevoerde tapijten in Wenen, moest haar oordeel aanvankelijk tamelijk nadelig uitvallen voor de veel eenvoudiger uitgevoerde Nijmeegse replieken. Dit negatieve oordeel werd nog versterkt door het feit, dat de tapijten werkelijk in de ellendigste omstandigheden verkeerden. In haar reeds meermalen geciteerde rapport van 1937 signaleerde Mej. Van Ysselsteyn harde plekken, veroorzaakt door een stijfselachtige substantie (een herinnering aan de behanger van 1901?), scheuren ontstaan door het gedeeltelijk loslaten van verbindingsdraden en het hier en daar geheel of gedeeltelijk ontbreken van borders. Overigens had zij in dit rapport haar aarzelingen ten aanzien van het atelier (namelijk dat van Michiel Wouters te Antwerpen) geheel overwonnen. De overeenkomst met de Stockholmse en met de gesigneerde Weense exemplaren was te opvallend om genegeerd te kunnen worden. Het verschil zat hem alleen in de materiaalkeuze en in de wijze van borderbehandeling. Van de ontwerpen wist zij alleen te vermelden,dat zij afkomstig waren van een zekere J.F. Romanellus, waarvan zij alleen vermoedde, dat hij in Antwerpen werkzaam geweest was. In die tijd kreeg men echter toch wat meer greep op de tot dan zo schimmige Romanellus. Achter deze verlatijnste naam bleek Giovanni Francesco Romanelli (1610?-1662) schuil te gaan, een kunstschilder geboortig uit Viterbo. Naast zijn werkzaamheid in diverse steden in Italië (o.a. Cortona en Rome) valt ook een Parijse periode te vermelden, tijdens welke hij onder meer opdrachten vervulde voor de Franse koninklijke familie (51). Hoe precies de relatie tussen de kunstenaar en de Firma Wouters is geweest, is niet bekend. Zeker is wel, dat hij nooit in Antwerpen geweest is. Tenslotte valt van het rapport van 1937 nog te vermelden, dat daarin de hoop werd uitgesproken, dat de Aeneastapijten na een grondige opknapbeurt hun eerder gesignaleerde spookachtig aanzien kwijt zouden raken.

Toen de tweede wereldoorlog voorbij was, was het belang van de Nijmeegse Aeneastapijten met sprongen gestegen. Dit was een gevolg van het feit, dat de Weense serie te gronde was gegaan. Hitler had namelijk deze tapijten uit Wenen geroofd en ze op laten hangen in zijn vernieuwde rijkskanselarij te Berlijn. Daar werden ze in 1945 een prooi van de vlammen. Omdat er op enkele plaatsen in Europa zeer incomplete series of zelfs slechts losse exemplaren bewaard zijn gebleven, schijnt de Nijmeegse reeks van zes stuks nu de meest volledige (52). Hieraan ontbreken alleen 'Dido's feestmaaltijd' en 'Dido's dood' (53). Gelet op de afmetingen van de zaal waarin de tapijten altijd hebben gehangen moet het hoogst twijfelachtig genoemd worden of de ontbrekende exemplaren behoord hebben tot de oorspronkelijk geleverde partij. De in zijde uitgevoerde luchtpartijen en het geboomte op het tweede en derde plan waren geheel vergaan en moesten bij de restauratie dan ook vervangen worden. Hierbij werd dankbaar gebruik gemaakt van foto's van de verdwenen Weense replieken (54). De restauratie begon rond 1952 en kon eerst in 1965 worden afgesloten. Toen was op alle tapijten ook de oorspronkelijk bedoelde reliefwerking teruggewonnen, welke samenhangt met de uitvoering van de Figuren op het voorplan in wol, terwijl in de rest zijde verwerkt is. Deze kunstgreep werd in vroeger tijd vaak toegepast (55). Hoewel de Nijmeegse Aeneastapijten ook na de restauratie in kwaliteit nooit op het zelfde niveau zijn gekomen als de legendarisch geworden Weense tweelingbroeders, mag toch gezegd worden, dat Mej. Van Ysselsteyns wens in vervulling is gegaan. Het spookachtige karakter van de gestalten verdween geheel en uit de restauratie kwamen imponerende wandbedekkingen te voorschijn met een grote decoratieve waarde. Eigenlijk waren zij voor de vroegere zalen te omvangrijk om goed overzien te worden.

De verwerving van de Antwerpse tapijten
Vanaf het moment, dat de groenwerktapijten geïdentificeerd waren als de in 1664-1685 aangekochte tapijten zat men met het probleem, hoe toch de Antwerpse tapijten in het stadhuis terechtgekomen waren. In de stadsrekeningen bleek geen enkele post voorhanden, die wees op een betaling van stadswege. In 1936 opperde Mej. Van Ysselsteyn de mogelijkheid, dat de tapijten afkomstig zouden kunnen zijn uit het Huis van de Vrouw van Palsterkamp (56). Dit huis was immers inclusief de 'tapijten op de groote audientiesael' gehuurd voor de gezanten van Republiek der Zeven Verenigde Provincien (57). Eveneens gissenderwijze werd daarbij aangenomen, dat de tapijten na het vredescongres naar het stadhuis waren overgebracht. Hierbij werd wel wat gemakkelijk over het feit heengestapt, dat de tapijten slechts gehuurd waren (58). Jarenlang bleef de verwerving een duistere zaak, ook al bleef men een relatie vermoeden met 'de Vrede van Nijmegen'. In de jaren zeventig was men op het archief bij toeval in de archivalia op een aanwijzing gestoten (59) en bracht, zoals wel meer gebeurt, de ene aanwijzing de andere op het spoor. Dit leidde naar Den Haag en weer terug naar Nijmegen. Op den duur waren er voldoende gegevens voorhanden om aan te kunnen tonen, dat de tapijten door de Staten Generaal in Den Haag waren gekocht om enige zalen (de zalen in het achterhuis derhalve) mee te stofferen, ten behoeve van de aan luxe decors gewende gezanten, die in deze zalen een deel van hun onderhandelingen voerden. Het was heel gebruikelijk, dat de kosten, in Den Haag gemaakt, werden afgewenteld op (naar gelang de situatie) alle, meerdere of op een provincie. Uit het feit, dat de tapijten na 1679 zijn blijven hangen mag men wel concluderen, dat de kosten (op den duur?) zijn afgewenteld op de Provincie Gelderland en wellicht via deze op het Kwartier van Nijmegen (60). Het is anders niet te verklaren waarom de tapijten er altijd zijn blijven hangen. Een grondige speurtocht in de Gelderse rekeningen kan hieromtrent ongetwijfeld meer aan het licht brengen.

Besluit

Sedert de tweede wereldoorlog heeft voortdurend de loftrompet geklonken over het Nijmeegse tapijtenbezit. Dit geschiedde, zo mag men het wel stellen, onder hartstochtelijke bijvalsbetuigingen van Mej. Dr. G.T. van Ysselsteyn, die immers zelf telkens weer over de tapijten publiceerde en die ook de leiding had bij het zeer omvangrijke restauratieproject in Haarlem. Als men weet hoe ver in 1939 het ontbindingsproces gevorderd was, kan men zich afvragen, wat er toch wel van de tapijten terecht zou zijn gekomen zonder deze persoonlijkheid. Zouden zij dan nog wel bestaan hebben? Nu, in 1982, hoeft de vraag gelukkig niet gesteld te worden en dat stemt tot grote dankbaarheid. Zonder de tapijten tot artistieke hoogtepunten uit de zeventiende eeuw te willen verheffen moet gezegd worden, dat zij tezamen met de tamelijk compleet bewaarde serie schoorsteenstukken de waardigheid van het interieur van het oude stadhuis nu nog evenzeer bepalen, als zij dit driehonderd jaar geleden deden. De tapijten (en de schoorsteenstukken) stralen de sfeer uit van een klein bestuurscentrum van een stad in de provincie, die teerde op een roemrijk verleden en daaraan zijn importantie ontleende. Zij vertellen van bestuurderen, die zich voor de uitoefening van hun ambt met de mogelijkheden welke zij tot hun beschikking hadden een kader hebben willen scheppen, dat beantwoordde aan de smaak van hun tijd. Van deze bescheiden chique is ook in de wandtapijten iets blijvend gevangen.


NotenNaar boven

1. Deze namen waren te danken aan het imitatie-goudlerenbehang, waarmee deze kamers opgedirkt waren.
2. O.c., p.49.
3. Raadssignaat 1664, Oud-Archief Nijmegen (OAN) 109, Gemeentearchief Nijmegen.
4. VAN SCHEVICHAVEN 1903, p.9, 32 en 33.
5. Idem, p.56.
6. 'Bestek en Voorwaarden' met bijbehorende plattegronden, Nieuw-Archief Nijmegen (NAN) 1814-1850, nr. 2108, Gemeentearchief Nijmegen.
7. VAN SCHEVICHAVEN 1903, p.56.
8. NAN 1814-1850, nr. 2108.
9. Archief Commissie Gedenkstukken Gemeentearchief Nijmegen. NAN 19-5789
10. VAN SCHEVICHAVEN 1903, p.33.
11. De korte geschiedenis van dit Haagse 'Tapythuis' is beschreven in: G.T. VAN YSSELSTEYN 'Geschiedenis der Tapijtweverijen in de noordelijke Nederlanden, deel 1, Leiden 1936, p.156-159.
12. Verslag van de Commissie ter verzekering eener goede bewaring van gedenkstukken van geschiedenis en kunst te Nijmegen, 1921.
13. OAN 2569. VAN YSSELSTEYN vermeldt f 1414,- (o.c. p.157). De betaling geschiedde in fasen. Zij moet één betaling over het hoofd gezien hebben.
14. VAN YSSELSTEYN, o.c., p 280.
15. J.STARINK, 'Per brief uit het keurslijf', in: Spectrum-atlas van historische plaatsen in de Lage Landen, Utrecht/Antwerpen 1981, p.181.
16. Verslag Commissie Gedenkstukken, 1901.
17. Bijlage nr. 253, Gemeenterekening Nijmegen 1901, serie delen 2934, NAN.
18. Dossier wandtapijten stadhuis, voor zover reeds aanwezig in het Gemeentearchief, NAN 19-7861.
19. Idem.
20. Idem.
21. VAN YSSELSTEYN, 'Over een serie wandtapijten in het bezit van de Gemeente Nijmegen, in: Mededelingen van het Rijksbureau voor Kunsthistorische Documentatie, 's-Gravenhage 1949, p.47-51.
22. VAN YSSELSTEYN, 'De Restauratie der tapisserieën in het bezit van de gemeente Nijmegen', in: Bijdragen tot de geschiedenis van Nijmegen, ter gelegenheid van het tot stand komen van de uitbreiding van het oude stadhuis aangeboden door Jong Nijmegen, Nijmegen 1942, p.63-66.
23. Bijlage 691 bij de gemeenterekening over 1882, NAN 2552.
24. Rapport van ir. J.G. Deur d.d. 11-5-1946 aan de burgemeester, dossier wandtapijten, Registratuur Stadhuis.
25. VAN YSSELSTEYN, 1942.
26. FRIGGO VISSER, Werkplaats tot herstel van antiek textiel 1940-1980, Haarlem 1980, p.5
Rapport van Deur aan B en W d.d. 25-1-1947. Dossier wandtapijten, Stadhuis.
27. Rapport van de Werkplaats aan het College van B en W, februari 1950, Dossier Wandtapijten, Stadhuis.
28. FRIGGO VISSER, 1980, p.5 en 6.
29. Van Ysselsteyn aan het College van B en W d.d. 12-6-1945, correspondentie Dossier Wandtapijten, Stadhuis.
FRIGGO VISSER, 1980, p.5 en 6.
30. Correspondentie, Dossier Wandtapijten, Stadhuis
31. Een stoelbekleding bevindt zich in de collectie van het Nijmeegs Museum Commanderie van Sint-Jan; twee stoelen met bekleding in de burgemeesterskamer ten stadhuize.
32. In navolging van: VAN YSSELSTEYN,1936, p.207.
33. VAN YSSELSTEYN 1936, deel I, p.208, 158 en 155.
34. H. DE HEIDEN, ' 't Meubleren van de plaetse van de vreedehandelingen', in: Numaga, XXV (1978), p.185-195. Idem: De Antwerpse Wandtapijten, in: De Vrede van Nijmegen, Nijmeegs Museum 'Commanderie van Sint-Jan', 1978, p.81-83.
35. RO VAN OVEN, 'Het Raadhuis te Nijmegen', in: 'Buiten', 24 maart 1923.
36. Verslag Commissie Gedenkstukken, vermelde jaren.
37. Idem, 1923.
38. NAN 19-7861.
39. Verslag Commissie Gedenkstukken, 1925.
40. VAN YSSELSTEYN, 1936, II, p.285.
41. Idem, p.489-501.
42. VAN YSSELSTEYN, 1942, p.64.
43. Over deze onderzoeken rept onder meer: Catalogus bij de tentoonstelling Antwerpse Wandtapijten, Sterckshof Deurne/Antwerpen, 1973, p.67.
44. Idem p.69.
45. Idem p.33. VAN YSSELSTEYN 1949, p.47-51.
46. VAN YSSELSTEYN, rapport 1937, NAN 19-7861.
47. Rapport 3-1-1950, correspondentie Dossier Wandtapijten, Stadhuis
48. Jaarverslag Werkplaats tot Herstel van Antieke Textiel 1958, Dossier Wandtapijten, Stadhuis.
49. VAN OVEN 1923.
50. VAN YSSELSTEYN 1936, p.285-286.
51. ULRICH THIEME en FELIX BECKER, Allgemeines Lexikon der Bildenden Künstler von der Antike bis zur Gegenwart, Band 28, Leipzig 1934, p.544-545.
52. Antwerpse Wandtapijten vermeldt onder meer tapijten te Stockholm en Milaan.
53. J.A.B. DE JONG, Nijmeegse monumenten uit een rijk verleden, Nijmegen 1959, p.69-70.
54. FRIGGO VISSER 1980, p.17
55. Idem.
56. VAN YSSELSTEYN 1936, p.286.
57. VAN YSSELSTEYN 1936, deel II, nr., 763, 765 en 768.
Zie ook M.A.F.T. VAN SON, 'Het Huis Palstercamp of Doddendaal', in De Vrede van Nijmegen, p.75-77.
58. Over het uiterlijk van deze gehuurde tapijten licht ons misschien het in 1978 voor het Nijmeegs Museum Commanderie van Sint-Jan verworven schilderij in van Henri Gascard, voorstellende de Vrede tussen Frankrijk en Spanje gesloten. De plechtigheid speelde zich af in een zaal behangen met tapijten, bestaande uit egale banen omzoomd met bewerkte borders.
59. De speurzin van mijn collega Mej. M.A.F.T. van Son mag hier niet onvermeld blijven.
60. Voor een uitvoeriger behandeling van het probleem van de verwerving moge ik verwijzen naar de in voetnoot 34 aangegeven artikelen.Naar boven


Laatst bijgewerkt:
05-12-2007