NUMAGA |
De geschiedenis van de wandtapijten van het Nijmeegse Stadhuis 2 |
|||||
| De Nijmeegse wandtapijten in de 20e eeuw De Groenwerktapijten of Verdures De Antwerpse tapijten: De Metamorfosentapijten De Aeneastapijten De verwerving van de Antwerpse tapijten |
. | De
Nijmeegse wandtapijten en de Vrede van Nijmegen De Nijmeegse wandtapijten in de 21e eeuw |
||||
Ruim twee decennia geleden beschreef Herman de Heiden in twee artikelen de geschiedenis van de Nijmeegse gobelins in het stadhuis, waarvan een deel, de Metamorfosentapijten, sinds de recente (2004) verbouwing van de raadszaal uit het stadhuis verdwenen zijn. Voor wie het aangaat en interesseert volgt hier zijn artikel over de tapijten in de twintigste eeuw. De geschiedenis van de tapijten vóór die tijd vindt u hier. En hoe het de tapijten in de eenentwintigste eeuw vergaat, leest u hier. De wandtapijten van het Nijmeegse Stadhuis en hun lotgevallen in de laatste honderd jaarH.G.M. de Heiden
Het stadhuis van Nijmegen bezit een aantal kostbare wandtapijten uit de zeventiende
eeuw. Zij dragen voor een niet gering deel bij tot de bekendheid van dit historische
gebouw. Van die roem is niet altijd sprake geweest, want er was een tijd (en de eerste
decennia van deze eeuw behoren daartoe), dat de tapijten volslagen onbekend waren. Deze
obscuriteit werd versterkt door het feit dat er toen weinig of geen historische gegevens
over bekend waren. Heel langzaam werd steeds meer achterhaald over hun herkomst en hand in
hand daarmee steeg ook hun bekendheid. De eerstgenoemde serie kreeg na de herbouw van het stadhuis na de tweede wereldoorlog
een plaats in de diverse ruimten van het voorhuis (het aan de Burchtstraat grenzende
gedeelte) en met name in de Trêveszaal en in de Trouwzaal. De tweede serie werd verdeeld
over de kamer, waarin de Afdeling Voorlichting gehuisvest was en over de daarnaast gelegen
Commissiekamer. De laatst vermelde serie werd opgehangen in de beide zogenaamde Gouden
Kamers (1), welke nauwkeurig gebouwd waren op de plaats
van twee zalen, die voor de oorlog dienst gedaan hadden als vergaderruimte van
Burgemeester en Wethouders en als Trouwzaal. De eerst-genoemde zaal had van oudsher
onderdak geboden aan de Metamorfosentapijten, terwijl trouwlustige paartjes zich bij het
grote moment omgeven wisten door de reusachtige gestalten op de Aeneastapijten De Groenwerktapijten of Verdures |
||||||
De situatie van de zalen, waarin zich
wandtapijten bevonden was in 1938 min of meer identiek aan die van 1903, toen H.D.J. van
Schevichaven een boekje publiceerde dat getiteld was: Het stadhuis van Nijmegen. Hoewel
het voor de moderne lezer, die de ruimtelijke indeling van het oude stadhuis niet gekend
heeft, soms tamelijk ondoorzichtig is, wordt het nog altijd druk geraadpleegd. Van
Schevichaven zegt daarin, dat de tapijten van de beide achterzalen oorspronkelijk
afkomstig waren van de 'bovenverdieping vanwaar ze verwijderd werden, toen men aldaar de
rechtbank inrichtte '(2). De archivaris was goed bekend
met het besluit dat op 28 december 1664 genomen was door de Raad om beide burgemeesters
naar Holland te sturen om daar 'een behangsel van tapyten voor de raadtcamer' aan te
kopen. Ook wist hij, dat er toen zuinigjes aan toe was gevoegd, dat die tapijten niet meer
dan vier of vijf gulden de el mochten kosten (3). Deze
aankoop is overigens een gevolg geweest van een inwendige modernisering en aanpassing van
het stadhuis in de jaren 1657-1659, bij welke gelegenheid de raad (weer?) was
ondergebracht in die zaal op de eerste verdieping van het voorhuis, welke thans wordt
aangeduid als Trêveszaal (4). Van Schevichaven nu was kennelijk van oordeel, dat de tapijten, welke als gevolg van het genoemde raadsbesluit van 1664 waren aangeschaft, dezelfde waren als die in de achterzalen, waarvan hij aannam, dat zij er in 1838 (het jaar van verbouwing ten behoeve van de rechtbank) terechtgekomen waren. Gemakshalve - of was het omdat hij er geen raad mee wist? - waren daarbij een aantal behangsels over het hoofd gezien, waarmee de muren waren bespannen van een tamelijk kleine kamer, welke voor de laatste oorlog bekend stond als 'Leeskamer", maar die door Van Schevichaven werd aangeduid als 'het vertrek naast de landschapskamer' (5). Dit vertrek, gelegen op de eerste verdieping op de hoek van de Korte Burchtstraat en de Lange Nieuwstraat, was een van de drie vertrekken, die in 1838 ontstaan waren door de plaatsing van schotten en muurtjes in de oude Raadkamer (6). Van het daar aanwezige behang weet Van Schevichaven het volgende te melden: 'Het gobelinbehang met voorstellingen van jachten werd hier weinige jaren geleden gehangen'. 'Welke kamers het oorspronkelijk versierde is niet bekend; het werd voor jaren gevonden in een kist, die op de Plunderzolder vergeten stond...' (7). Dat 'voorstellingen van Jachten' is een onjuiste interpretatie van het afgebeelde. Uit een foto van de bewuste kamer valt op te maken, dat de daar toen aanwezige behangsels voortbestaan in de huidige Groenwerktapijten. In het 'bestek en voorwaarden' (8) van de verbouwing van 1838 was bepaald, dat de behangsels van de bovenzaal aan de voorzijde met zorg moesten worden bewaard. Hoe dit bewaren in de praktijk heeft plaatsgevonden begrijpen wij nu. De behangsels waren in een kist op zolder gestopt en vervolgens geheel aan de vergetelheid prijsgegeven. 1882 was het jaar, waarin zij werden teruggevonden. Dit bleek onder meer uit een verzoek van de Commissie ter Verzekering eener Goede Bewaring van Gedenkstukken van Geschiedenis en Kunst aan het College van Burge- meester en Wethouders om 'weder de oude gobelins aan te brengen' (9). Dat woordje 'weder' intrigeert ons. Zouden de achtenswaardige leden van de Commissie in 1882 toch nog geweten hebben, dat de tapijten er oorspronkelijk thuis hoorden? Hoe het ook zij, Van Schevichaven heeft er negentien jaar later geen kennis meer van gehad. Het 'bestek en voorwaarden' ongetwijfeld kennende, legde hij tenminste een verband tussen deze bepaling en de tapijten van de achterzalen. Van de maker had de goede archivaris geen flauw idee maar hij waagde de suggestie, dat de behangsels gekocht waren in Den Haag (10). En daarbij bleef het dan. Met het raden van de plaats van aankoop zat Van Schevichaven waarschijnlijk zeer dicht bij de waarheid, omdat de Delftse onderneming, die de tapijten vervaardigde, toonkamers had in Den Haag (11). De eerste, die een tip van de sluier wist op te lichten was M.P.M. Daniëls, als opvolger van Van Schevichaven archivaris der gemeente Nijmegen van 1919 tot 1942. Hij ontdekte 'uit tot nog toe onbekende documenten', dat de tapijten, 'althans ten deele' waren geleverd door de 'bekende Hollandsche gobelinweverij van Van der Gucht te Delft' (12). Dat 'althans ten deele' lijkt er voorzichtigheidshalve aan toegevoegd. Daniëls begreep blijkbaar wel, dat niet het gehele tapijtenbezit herleid kon worden tot de beroemde Delftse weverij. Of hij deze overtuiging baseerde op duidelijke verschillen in stijl en afbeeldingen of op de overweging, dat voor het uiteindelijk betaalde bedrag (f. 2164,-) (13) werkelijk niet zoveel vierkante ellen geleverd konden zijn, viel uit de stukken niet op te maken. Bij mijn weten is de kunsthistorica Mej. Dr. G.T. van Ysselsteyn (1892-1975) de eerste
geweest, die heeft aangewezen welke tapijten in Nijmegen nu exact als Delfts moeten worden
aangemerkt, namelijk die welke op de muren zaten van de Leeskamer. In haar studie over de
tapijtweverijen in de Noordelijke Nederlanden noemt zij de behangsels van het
Bartholomeus- gasthuis te Utrecht en die van het Nijmeegse, het Leidse en het Bossche
stadhuis in een adem (14). De Utrechtse en Bossche
verdures bestaan nog altijd in hun oude glorie (min of meer), terwijl die van Leiden bij
de beruchte stadhuisbrand van 1929 helaas verloren zijn gegaan. De schrijfster had ook
rustig de tapijten kunnen noemen, waarmee de muren van een zaal in kasteel Zuylen nabij
Utrecht zijn behangen (15). Dat zij dit niet doet zal
wel samenhangen met het feit, dat het kasteel toen nog particulier bewoond werd en de
inventaris nog geen bekendheid genoot. Van de Nijmeegse groenwerken zegt zij, dat deze
naar een kleine kamer zijn overgebracht en versneden zijn. Deze constatering sluit goed
aan bij wat Van Schevichaven er al over had weten te vertellen, namelijk: dat zij uit een
vergeten kist op zolder waren opgediept. Het feit, dat men in 1882 moeite deed om een
aantal vergeten behangsels weer op de muur aan te brengen geeft onmiskenbaar aan, dat er
ook toen een grote waardering bestond voor relicten uit een ver verleden als geweven
behangsels. Deze waardering uitte zich ook in een restauratiepoging, ondernomen omstreeks
het jaar 1901 (16).
De enige vraag, welke ons met betrekking tot de Verdures nog rest, is, of de huidige
collectie, welke toch het resultaat is van de reconstructie van na 1945, min of meer
overeenkomt met de hoeveelheid behang, welke in 1665 werd geleverd. Voor een aantal
tapijten zal de reconstructie wel historisch betrouwbaar zijn, maar voor andere, die
werden samengesteld uit allerlei noodzakelijkerwijze aaneengeweven fragmenten moet men wel
aannemen, dat ze er in 1665 anders uit gezien hebben. Bovendien: wat kan er in de lange
periode van verslonzing al niet verloren zijn gegaan? Zo blijken er op een gegeven moment
(omstreeks 1882?) stukken gebruikt te zijn om er stoelen mee te bekleden (31). De tapijten uit Antwerpen |
||||||
Foto's: Stichting Werkplaats tot Herstel van Antieke Textiel, Haarlem |
||||||
'Kostelijk 17de eeuwse Fransche gobelins bedekken de wanden' vermeldt een beschrijving van het stadhuis in 1923 over de Kamer van de Burgemeester en Wethouders (35). Ook de tapijten in deze ruimte zijn bij de restauratie van 1901 geteisterd. In 1917, 1918 en 1919 blijkt telkens weer de wens te bestaan om te restaureren. Dit is een aanwijzing, dat men van de opknapbeurt van 1901 geen hoge dunk moest hebben (36). Eerst in 1923 kwam men er toe om wat te doen met de tapijten in de Kamer van Burgemeester en Wethouders. Dit gebeurde in het kader van een opknapbeurt ter voorbereiding van het zilveren ambtsjubileum van burgemeester F.M.A. van Schaeck Mathon. Een restauratie werd opgedragen aan Mevrouw Laman Trip-Nolen, directrice van de Nederlandsche Kunstweefschool te 's- Gravenhage. Met grote omzichtigheid ging men te werk. Alvorens de tapijten van de muren los te maken, werd de oude toestand eerst zorgvuldig in tekening gebracht. Zij werden vervoerd naar Den Haag, gerold op houten cylinders, die speciaal voor dit doel vervaardigd waren (37). Overduidelijk blijkt hieruit wel, hoeveel men ook in die tijd gaf om de tapijten. Eerst in 1925 keerden zij terug. Dat dit was geruime tijd na het feest van de burgemeester heeft men kennelijk voor lief moeten nemen. Mevrouw Laman schreef toen aan de archivaris, dat het werk zo was tegengevallen, dat zij niet minder dan f 1.200,- kon berekenen, daar zij er anders zelf op toe zou moeten leggen (38). De stukken werden in een andere groepering dan voorheen weer bevestigd. Men gebruikte hiervoor nieuw geconstrueerde scharnierende houten ramen, zodat de tapijten in tijd van nood, gemakkelijker afgenomen konden worden. Enige ontbrekende randen werden aangevuld met op linnen geschilderde nabootsingen. Voor een enkele strook werd geen plaats meer gevonden en men sprak de wens uit, dat deze op passende wijze zou worden bewaard (39). Wat men bedoelde met 'op passende wijze' weten wij zo zoetjes aan wel: de kist op zolder was er weer goed voor. Uit alles spreekt een zekere voldoening over de wijze waarop een en ander zijn beslag had gekregen. Hoe onvolkomen de kennis van conserveren en restaureren van antiek textiel toen nog was, zou een aantal jaren later op navrante wijze aan het daglicht treden. Voorlopig was iedereen heel content, en gezien in het licht van die tijd, mocht men dat ook best zijn. In haar eerder genoemde rapport van 1937 zegt Mej. Van Ysselsteyn, dat de tapijten in de kamer van Burgemeester en Wethouders ('de landschappen met kleine figuren') waarschijnlijk de geschiedenis van Celadon en Astrée uitbeelden naar de in de 17e eeuw zeer populaire herdersroman 'Astrée' van Honoré d'Urfée. Zij sloot hierbij aan bij wat zij er in 1936 reeds over had geschreven (40). Overigens meende zij toen nog, dat de tapijten van Hollandse origine waren (41) en zij dacht daarbij in de richting van Pieter de Cracht, een gerenommeerd tapijthandelaar in Amsterdam, die voortdurend werk aangeleverd kreeg uit de provincie. Toen de tapijten met het oog op oorlogsgevaar op last van de Rijkscommissie voor de Monumentenzorg verwijderd werden en waren aangevuld met de stukken uit de stedelijke lappendoos, bleken zij geïdentificeerd te moeten worden als tapijten met voorstellingen ontleend aan de Metamorfosen van Publius Ovidius Naso, welke in de 17e eeuw, in allerlei uitvoeringen en prijzen, maar steeds naar dezelfde patronen voor de markt te Antwerpen werden vervaardigd (42). In diverse onderzoeken kon aangetoond worden dat er door de Firma Wouters in Antwerpen grote hoeveelheden tapijten, waarvan het merendeel met voorstellingen uit de Metamorfosen, werden geleverd aan Engeland (43). Kennelijk waren deze voorstellingen er zeer gewild bij hen die het vette der aarde in ruime mate genieten konden. Er zijn zelfs drie tapijten gevonden, die de initialen MW dragen. De Nijmeegse exemplaren komen overeen met de in Engeland geïdentificeerde. De drie gemerkte tapijten bevinden zich te Boughton en verder schijnen er exemplaren aanwezig te zijn te Barnard Castle in het Bowesmuseum, te Kidderminster in het Stone House en te Uttoxeter in het Manorhouse (44). Hiermede was het atelier van herkomst, namelijk dat van Michiel Wouters te Antwerpen, geïdentificeerd. Uit de stukken duiken een zekere Janssens (voor de figuren) en eene Spirinx (voor de landschappen) op als kartonontwerpers (45). Bij de afname in 1939 leek de toestand mee te vallen. Het stopwerk van 1923-1925 verleende het geheel kennelijk het nodige houvast (46). De ergernis groeide eigenlijk pas na de aanvang van de restauratie, toen geleidelijk aan duidelijk werd welke verwoestingen het genoemde stopwerk had aangericht. De ketting bleek over grote oppervlakten totaal verwoest. 'Is een stop' zo moppert Mej. Van Ysselsteyn tegenover het College van B enW 'er met veel geduld en alle mogelijke zorg uitgepeuterd,dan houdt men een gat over of een ketting, die zo zwak en uitgerekt is, dat er toch vervangen moet worden (47). Met de terugkeer van de 'Narcissus' in 1958 werd de zeer omvangrijke restauratie van de Metamorfosenserie afgesloten (48). De Aeneastapijten (klik op afbeelding voor een wat groter beeld) |
||||||
Mercurius
herinnert Aeneas aan zijn verplichting naar Italië te reizen |
||||||
Foto's: Stichting Werkplaats tot Herstel van Antieke Textiel, Haarlem |
||||||
De beschrijver, die zich in 1923 vermeide in al de schoonheden, die het stadhuis te bieden had, stond ook even stil bij de tapijten van de Trouwzaal en hij deed dit met de volgende woorden: 'Een Fransch gobelin, in 1664 door I.F. Romanellos ontworpen bedekt ook hier de wanden. Dido en Aeneas in de eeuw van het Klassicisme op iedere mogelijke wijze verheerlijkt, spreiden hier hun Cartaagschen Liefdesluister ten toon (49). Het genoemde jaartal is terug te voeren tot het misverstand, ontstaan bij Van Schevichaven. De naam van de ontwerper, maar dan gespeld als 'Romanellus' komt voor in de linkerhoek van het tapijt 'Het offer van Dido aan Juno'. Veel verder ging de kennis omtrent deze merkwaardige serie beslist nog niet. Ook de Aeneastapijten ontgingen in de jaren dertig niet aan het speurend oog van Mej. Van Ysselsteyn. In haar boek noemt zij ze met enige tapijten, welke voorkomen in de koninklijke collecties te Stockholm en met een uiterst kostbare in zijde uitgevoerde serie van acht stuks in Wenen. Van deze laatste was bekend, dat ze gemaakt en gesigneerd waren door Wouters (50). Over de Nijmeegse exemplaren schrijft zij als volgt: 'De Nijmeegsche serie doet ons min of meer schrikken. De groote Figuren zijn zo goed als uitsluitend in bruin uitgevoerd met wat wit als achtergrond en schaduwwerking: de kleuren vertonen partijen donkerblauw, helblauw en soms rood, groen is niet gebruikt. Het resultaat is spookachtig (.....) Wij zijn hier in kwaliteit wel heel ver van Wouters' producten verwijderd. Het is mogelijk, dat slechts goedkope exemplaren - bijna zonder zijde - ook uit zijn atelier zijn gekomen; het is echter ook mogelijk, dat Noord-Nederlandsche ateliers ze hebben geleverd.' Omdat zij weet had van de in kostbare zijde en in prachtige kleurschakeringen uitgevoerde tapijten in Wenen, moest haar oordeel aanvankelijk tamelijk nadelig uitvallen voor de veel eenvoudiger uitgevoerde Nijmeegse replieken. Dit negatieve oordeel werd nog versterkt door het feit, dat de tapijten werkelijk in de ellendigste omstandigheden verkeerden. In haar reeds meermalen geciteerde rapport van 1937 signaleerde Mej. Van Ysselsteyn harde plekken, veroorzaakt door een stijfselachtige substantie (een herinnering aan de behanger van 1901?), scheuren ontstaan door het gedeeltelijk loslaten van verbindingsdraden en het hier en daar geheel of gedeeltelijk ontbreken van borders. Overigens had zij in dit rapport haar aarzelingen ten aanzien van het atelier (namelijk dat van Michiel Wouters te Antwerpen) geheel overwonnen. De overeenkomst met de Stockholmse en met de gesigneerde Weense exemplaren was te opvallend om genegeerd te kunnen worden. Het verschil zat hem alleen in de materiaalkeuze en in de wijze van borderbehandeling. Van de ontwerpen wist zij alleen te vermelden,dat zij afkomstig waren van een zekere J.F. Romanellus, waarvan zij alleen vermoedde, dat hij in Antwerpen werkzaam geweest was. In die tijd kreeg men echter toch wat meer greep op de tot dan zo schimmige Romanellus. Achter deze verlatijnste naam bleek Giovanni Francesco Romanelli (1610?-1662) schuil te gaan, een kunstschilder geboortig uit Viterbo. Naast zijn werkzaamheid in diverse steden in Italië (o.a. Cortona en Rome) valt ook een Parijse periode te vermelden, tijdens welke hij onder meer opdrachten vervulde voor de Franse koninklijke familie (51). Hoe precies de relatie tussen de kunstenaar en de Firma Wouters is geweest, is niet bekend. Zeker is wel, dat hij nooit in Antwerpen geweest is. Tenslotte valt van het rapport van 1937 nog te vermelden, dat daarin de hoop werd uitgesproken, dat de Aeneastapijten na een grondige opknapbeurt hun eerder gesignaleerde spookachtig aanzien kwijt zouden raken. Toen de tweede wereldoorlog voorbij was, was het belang van de Nijmeegse Aeneastapijten met sprongen gestegen. Dit was een gevolg van het feit, dat de Weense serie te gronde was gegaan. Hitler had namelijk deze tapijten uit Wenen geroofd en ze op laten hangen in zijn vernieuwde rijkskanselarij te Berlijn. Daar werden ze in 1945 een prooi van de vlammen. Omdat er op enkele plaatsen in Europa zeer incomplete series of zelfs slechts losse exemplaren bewaard zijn gebleven, schijnt de Nijmeegse reeks van zes stuks nu de meest volledige (52). Hieraan ontbreken alleen 'Dido's feestmaaltijd' en 'Dido's dood' (53). Gelet op de afmetingen van de zaal waarin de tapijten altijd hebben gehangen moet het hoogst twijfelachtig genoemd worden of de ontbrekende exemplaren behoord hebben tot de oorspronkelijk geleverde partij. De in zijde uitgevoerde luchtpartijen en het geboomte op het tweede en derde plan waren geheel vergaan en moesten bij de restauratie dan ook vervangen worden. Hierbij werd dankbaar gebruik gemaakt van foto's van de verdwenen Weense replieken (54). De restauratie begon rond 1952 en kon eerst in 1965 worden afgesloten. Toen was op alle tapijten ook de oorspronkelijk bedoelde reliefwerking teruggewonnen, welke samenhangt met de uitvoering van de Figuren op het voorplan in wol, terwijl in de rest zijde verwerkt is. Deze kunstgreep werd in vroeger tijd vaak toegepast (55). Hoewel de Nijmeegse Aeneastapijten ook na de restauratie in kwaliteit nooit op het zelfde niveau zijn gekomen als de legendarisch geworden Weense tweelingbroeders, mag toch gezegd worden, dat Mej. Van Ysselsteyns wens in vervulling is gegaan. Het spookachtige karakter van de gestalten verdween geheel en uit de restauratie kwamen imponerende wandbedekkingen te voorschijn met een grote decoratieve waarde. Eigenlijk waren zij voor de vroegere zalen te omvangrijk om goed overzien te worden. |
||||||
| De verwerving van de
Antwerpse tapijten Vanaf het moment, dat de groenwerktapijten geïdentificeerd waren als de in 1664-1685 aangekochte tapijten zat men met het probleem, hoe toch de Antwerpse tapijten in het stadhuis terechtgekomen waren. In de stadsrekeningen bleek geen enkele post voorhanden, die wees op een betaling van stadswege. In 1936 opperde Mej. Van Ysselsteyn de mogelijkheid, dat de tapijten afkomstig zouden kunnen zijn uit het Huis van de Vrouw van Palsterkamp (56). Dit huis was immers inclusief de 'tapijten op de groote audientiesael' gehuurd voor de gezanten van Republiek der Zeven Verenigde Provincien (57). Eveneens gissenderwijze werd daarbij aangenomen, dat de tapijten na het vredescongres naar het stadhuis waren overgebracht. Hierbij werd wel wat gemakkelijk over het feit heengestapt, dat de tapijten slechts gehuurd waren (58). Jarenlang bleef de verwerving een duistere zaak, ook al bleef men een relatie vermoeden met 'de Vrede van Nijmegen'. In de jaren zeventig was men op het archief bij toeval in de archivalia op een aanwijzing gestoten (59) en bracht, zoals wel meer gebeurt, de ene aanwijzing de andere op het spoor. Dit leidde naar Den Haag en weer terug naar Nijmegen. Op den duur waren er voldoende gegevens voorhanden om aan te kunnen tonen, dat de tapijten door de Staten Generaal in Den Haag waren gekocht om enige zalen (de zalen in het achterhuis derhalve) mee te stofferen, ten behoeve van de aan luxe decors gewende gezanten, die in deze zalen een deel van hun onderhandelingen voerden. Het was heel gebruikelijk, dat de kosten, in Den Haag gemaakt, werden afgewenteld op (naar gelang de situatie) alle, meerdere of op een provincie. Uit het feit, dat de tapijten na 1679 zijn blijven hangen mag men wel concluderen, dat de kosten (op den duur?) zijn afgewenteld op de Provincie Gelderland en wellicht via deze op het Kwartier van Nijmegen (60). Het is anders niet te verklaren waarom de tapijten er altijd zijn blijven hangen. Een grondige speurtocht in de Gelderse rekeningen kan hieromtrent ongetwijfeld meer aan het licht brengen. Besluit Sedert de tweede wereldoorlog heeft voortdurend de loftrompet geklonken over het Nijmeegse tapijtenbezit. Dit geschiedde, zo mag men het wel stellen, onder hartstochtelijke bijvalsbetuigingen van Mej. Dr. G.T. van Ysselsteyn, die immers zelf telkens weer over de tapijten publiceerde en die ook de leiding had bij het zeer omvangrijke restauratieproject in Haarlem. Als men weet hoe ver in 1939 het ontbindingsproces gevorderd was, kan men zich afvragen, wat er toch wel van de tapijten terecht zou zijn gekomen zonder deze persoonlijkheid. Zouden zij dan nog wel bestaan hebben? Nu, in 1982, hoeft de vraag gelukkig niet gesteld te worden en dat stemt tot grote dankbaarheid. Zonder de tapijten tot artistieke hoogtepunten uit de zeventiende eeuw te willen verheffen moet gezegd worden, dat zij tezamen met de tamelijk compleet bewaarde serie schoorsteenstukken de waardigheid van het interieur van het oude stadhuis nu nog evenzeer bepalen, als zij dit driehonderd jaar geleden deden. De tapijten (en de schoorsteenstukken) stralen de sfeer uit van een klein bestuurscentrum van een stad in de provincie, die teerde op een roemrijk verleden en daaraan zijn importantie ontleende. Zij vertellen van bestuurderen, die zich voor de uitoefening van hun ambt met de mogelijkheden welke zij tot hun beschikking hadden een kader hebben willen scheppen, dat beantwoordde aan de smaak van hun tijd. Van deze bescheiden chique is ook in de wandtapijten iets blijvend gevangen. |
||||||
1. Deze namen waren te danken aan het imitatie-goudlerenbehang, waarmee deze kamers
opgedirkt waren. |
||||||
| Laatst bijgewerkt: 05-12-2007 |
||||||